Door Kneistikrant-Columnist: Plato (De auteur is Dr. ethicus en rechtsfilosoof) – Echte naam en adres bekend bij de redactie.

De tweedeverblijvers zijn de voorbije weken herhaaldelijk in het nieuws gekomen. Het verbod om zich naar het tweede verblijf te begeven en de onduidelijke richtlijnen omtrent dat wat nu al dan niet een essentiële verplaatsing is, waren onderwerp van menig krantenartikel en lezersreactie. Bij de bevolking van de kustgemeenten was er de vrees voor de mogelijke negatieve gevolgen van de massale instroom van toeristen van welke slag dan ook. De rijen wachtenden aan de grootwarenhuizen zelf werden argwanend bekeken. De commentaren van de eigenlijke inwoners logen er ook niet om. Ook de actie van enkele tweedeverblijvers tegen de specifieke belastingen zorgden voor een pittige discussie op de sociale media.

De relatie tussen tweedeverblijvers, dagjestoeristen, vaste bewoners en fiscale vluchtelingen (er was een stormloop op een domiciliëring aan de kust) naderde soms het vriespunt. Op bepaalde ogenblikken kreeg men de indruk dat er een soort intifada jegens de tweedeverblijvers werd georganiseerd. Een politie-inspecteur van Mariakerke had zijn bedenkingen bij de vele controles ingevolge de oproepen en mails die hij diende uit te voeren “Het lijkt soms wel oorlog, toen mensen joden verklikten.” Intifada die dan gecounterd werd door politici die over regeringen en partijgrenzen heen inderhaast een soort vakbond voor tweedeverblijvers en dagjesmensen organiseerden. Dit leidde ook tot verzoenende commentaren van enkele burgemeesters die met helikoptergeld begonnen te zwaaien en ook het Vlaams Parlement wijdde zelfs een Plenaire zitting aan het wel en wee van de kustburgemeesters die met allerhande verklaringen of twitterend over de straat rolden. 

Ook het kusttoerisme zelf kwam ter sprake. Kan men voorrangsregels invoeren? Hoe vermijden dat de Vlaamse Kust het Tirol van België wordt? Hoe die toeristische industrie (een monocultuur) draaiende houden? Hoe de relatie tussen bewoners en toeristen rechttrekken? En …is de Vlaamse Kust niet te afhankelijk van de toeristische industrie?

Terechte bezorgdheid

Aan onze kust wonen 220.000 mensen. Elke zomer komen daar 6 miljoen dagjesmensen en 4 miljoen verblijfstoeristen bij. De impact van deze ware volksverhuis is niet onaardig. O.a. VRT-journalist Vincent Verels ging op onderzoek uit. Wat bleek (jaar 2019)? Tijdens de zomermaanden verdubbelt het waterverbruik. Ook het elektriciteitsverbruik verdubbelt in de zomer. In de zomermaanden wordt tot 30 procent meer afval opgehaald aan de kust. Op een gewone zomerdag nemen gemiddeld 66.000 reizigers de kusttram. Op topdagen stijgt dat aantal tot 88.000 reizigers. Ter vergelijking: In de winter nemen gemiddeld 25.000 reizigers de kusttram. Het verblijfstoerisme genereert meer dan vijf miljoen aankomsten en 30 miljoen overnachtingen (2016). Het aantal dagtoeristen schommelt tussen 16 en 19 miljoen per jaar.

Een begin 2018 bekend geraakte studie van Philippe Defeyt (Institut pour un Développement Durable) bracht aan het licht dat in 2017 afgerond 90 procent van alle woningen in ons land een permanente bewoner heeft. Anders gesteld: 10 procent staat leeg of wordt slechts nu en dan bewoond en kan dus gedefinieerd worden als tweede verblijf. Voor Vlaanderen gaat het om zelfs om 12 procent. Defeydt onderstreepte dat dit alles aan de Kust soms leidt tot een scheeftrekking tussen vaste en tijdelijke bewoners: amper 30 procent van de wooneenheden in bv. De Haan en Middelkerke zijn permanent bewoond is. In gemeenten zoals Nieuwpoort of Knokke (43%) was de situatie al niet veel beter.

Het hoge aantal tweede verblijven aan de Vlaamse Kust is reeds langer onderwerp van studie en bezorgdheid. Uit een in 2009 doorgevoerde studie door Idea consult in het kader van een Kustactieplan bleek reeds dat “nergens in Vlaanderen het aandeel tweede verblijven in de woningvoorraad zo hoog als aan de Kust”. Een onderzoek van de Studiedienst van de Vlaamse Regering, Departement Kanselarij en Bestuur (januari 2017) naar het aantal tweede verblijven in het Vlaamse Gewest leert ons wat meer over de aantallen tweede verblijven en hun aandeel binnen het totaalpakket aan woongelegenheden. Aan de kust, zo leert dit onderzoek, telde men voor de 9 kustgemeenten samen 103.927 tweede verblijven, waarbij ruim 75 % gelegen is in gewone gebouwen en 25 % op verblijfparken. Er was een heel verschillend beeld te zien tussen de gemeenten naar de aard van het tweede verblijf. Zo noteerde men in Oostende, Knokke-Heist en Blankenberge bijna alleen maar tweede verblijven in gewone gebouwen (95% tot 98%). Als men de topvijftien van gemeenten met het meeste tweede verblijven in absolute en relatieve cijfers isoleerde, dan stelde men vast dat de 9 kustgemeenten vooraan staan. In absolute termen noteerde men het hoogste aantal tweede verblijven in Knokke-Heist (bijna 19.000) en Middelkerke (bijna 18.000). De bewerking waarbij men op zoek ging naar gemeente met veel tweede verblijven ten opzichte van het aantal woongelegenheden rangschikte de 9 kustgemeenten opnieuw vooraan. Koplopers waren de gemeenten Middelkerke en De Haan, waar ongeveer 58,5% van de woongelegenheden in gebruik is als tweede verblijf. In Nieuwpoort, De Panne, Bredene, Koksijde en Knokke-Heist gaat het dan toch nog om bijna de 50 % van de woongelegenheden.

Begin mei 2020 publiceerde de Nationale Bank van België de eerste resultaten van de derde golf van de enquête naar de financiën en de consumptie van de gezinnen in België. Uit de gegevens blijkt dat het eigen woningbezit de voorbije 10 jaar relatief stabiel bleef, maar dat het bezit van een tweede vastgoed “in stijgende lijn ging”. De studie bracht ook aan het licht dat “het (meervoudige) bezit van vastgoed nauw verbonden is met het economische vermogen van de eigenaar(s)”. Parallel met deze stijging benadrukte de Nationale Bank ook dat er een gevaar schuilt in de aankoopgolf: vele gezinnen gaan vaak leningen aan die van dien aard zijn dat deze gezinnen zeer kwetsbaar zijn voor een negatieve impact op hun financiën: de verhouding van hun leningen in verhouding tot de waarde van hun activa en hun inkomen is risicovol te heten. Er is een vals gevoel van welstand.

De aanwezigheid van een bloeiende (private) vastgoedmarkt en consumptie allerhande verhult een aantal problemen. De betaalbaarheid en beschikbaarheid van woningen en voornamelijk de invloed op het demografisch en socio-economisch profiel van de kustbewoner vallen op. De Vlaamse Kust kenmerkt zich meer en meer door een hoge verstedelijkingsgraad met allerlei secundaire problemen: de verappartementisering weegt op de open ruimte en op de woningmarkt voor de eigenlijke bewoners. Het toerisme in de kuststreek heeft immers gevolgen op sociaal en op  ecologisch vlak.  Sociaal gezien heeft het hoge aantal tweede verblijven een impact op de leefbaarheid aan de kust: hoge vastgoedprijzen, verzwakt sociaal weefsel, mobiliteitsproblemen, etc. (Coudenys 2012 en Keunen en Hoornaert 2012 in Maelfait et al. 2012, Meire en Bracke 2005, Goffin et al. 2007, De West-Vlaamse kansarmoedeatlas 2017). Het wegtrekken van de eigenlijke jongere inwoners, de aanwezigheid van vele oudere inwoners (vnl. gepensioneerden en pre-gepensioneerden) zorgt voor een onevenwichtige demografische structuur. De verappartementisering leeft er ook op gespannen voet met elke inspanning om waardevol erfgoed te bewaren. En er zijn de kleine wrevelpunten: daar een deel van de tweede verblijvers niet over eigen parkeerfaciliteit beschikt, drukken de te betalen parkeerfaciliteiten op de openbare ruimte. Voor de lokale overheden een bron van inkomsten, door de eigen inwoners gepercipieerd als een pestbelasting.

Cashkoe ?

Is alles kommer en kwel.  De eigenlijke economische meerwaarde van de tweedeverblijvers en de toeristen is enigszins te berekenen. Er is het economisch effect van de bouw van de tweede verblijven, met directe impact op de tewerkstelling. De return van de bouwsector gevoegd bij de bestedingen en belastingen ondersteunen de lokale economie op duidelijke wijze en betekenen een belangrijk aandeel in de inkomsten van de betrokken kustgemeenten. De vastgoed gerelateerde belastingen spijzen echter ook de kas van de hogere overheden. Anders gesteld: de omzet, de toegevoegde waarde, de tewerkstelling en de financiële terugvloei van de tweede verblijven en het toerisme is niet onaardig en staat borg voor een zekere comfortsituatie van de betrokken kustgemeenten. De bestedingen van alle kusttoeristen samen bedragen om en bij de 2,9 miljard euro (Westtoer, Trendrapport Kust 2015-2016, Dagtoerisme naar de kust 2017, Toerisme in cijfers XL 2017). Juli en augustus zijn goed voor 1 miljard euro (Bron: VRT).

Koesteren de kustgemeenten deze meerwaardeleveranciers? De Confederatie van Immoberoepen blijkt niet zo gelukkig te zijn met de wijze waarop kustgemeenten omgaan met de tweede verblijvers. De inkomsten van de belastingen op tweede verblijven zijn de voorbije tien jaar bijna verdubbeld (van 35 naar 66 miljoen euro). In bepaalde gevallen ligt de wanverhouding tussen het aantal eigenlijke inwoners en de tijdelijke inwoners aan de basis van een cashkoepolitiek. Koksijde werd als speciale casus aangehaald: 16.000 toeristen-die-bleven-plakken tegenover 8.000 Koksijdenaars: ” Dat de gemeenten naar die eerste en grootste groep kijken om extra belastingen te innen, is dan ook niet helemaal verwonderlijk.”.

Is er dan sprake van een melkpolitiek? Een raadpleging van de gegevensbank van het Vlaams Agentschap voor Binnenlands Bestuur (selectie gegevensbank; rek 7377; overzicht 2003 – 2018) geeft (voor alle kustgemeenten samen) een stijging van dit type belastingen op tweede verblijven van meer dan 29 miljoen euro in 2003 tot net geen 62 miljoen euro in 2018. Voor Knokke – Heist noteren wij in 2003 een bedrag van 6 miljoen euro; voor 2019 is een bedrag van ruim 15 miljoen euro te vinden. Deze gegevens werden bevestigd door raadpleging van de jaarrekening 2019 (blz. 171) van de gemeente Knokke – Heist (Bron: www.knokke-heist.be/jaarrekening-gemeente-en-agso; detail 2015 – 2019).

Voor de betrokken kustgemeenten betekenen de tweede verblijvers en dagjesmensen natuurlijk ook een extra uitgave. Tweede verblijven vullen de beschikbare open ruimte op en zorgen bijvoorbeeld voor een extra kost voor de aanleg en voor het onderhoud van het openbaar domein. Er zijn ook de klassieke terugkerende seizoensgebonden kosten m.b.t. hulpdiensten, politiediensten, vuilnisophalen, ruiming e.d. De kost voortvloeiende uit de al dan niet tijdelijke sociaaldemografische verschuivingen dient hier nog aan toegevoegd (bv. het beroep doen op specifieke diensten).

Geïntegreerde kwaliteitszorg met aandacht voor het sociale

Een rapport uit 2014 van de Europese Commissie (Naar een kusttoerisme van goede kwaliteit) pleit niet zonder reden voor een geïntegreerde kwaliteitszorg voor toeristische bestemmingen aan de kust. Een toerisme van goede kwaliteit is immers meer dan verappartementisering en recreatief aanbod. Toerisme moet bijdragen tot duurzame regionale ontwikkeling en het kan ook bijdragen tot een beter beheer van het cultureel en natuurlijk erfgoed of de kennismaking met de diverse Europese identiteiten. Een kwalitatieve toeristische industrie kan ook noodzakelijke sociale doelstellingen helpen concretiseren. En dit is nodig.

Marc Constandt vat de ontwikkeling en de impact van het kusttoerisme samen (Toerisme: de impact op mens en ruimte. Vlaams Instituut voor de Zee). Hij stelt vooreerst vast dat de toerist wijzigde: de lang in dezelfde plaats verblijvende toerist met beperkte desiderata werd afgelost door een veeleisende en voor korte tijd verblijvende toerist. Het toerismeverhaal is ook agressief te noemen. Alle mogelijke duinengebieden werden ingepalmd en ook de allereerste toeristische gebouwen werden zonder veel protest gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw.  De lokale bewoners, waaronder in sommige gemeenten de vissers en boeren, raakten in de verdrukking: “Men kan dus niet anders dan concluderen dat de toeristische uitbouw van onze kust weinig oordeelkundig is gebeurd.”. De gevolgen zijn legio.

Terecht toont de plaatselijke bevolking zich dan ook meer en meer bezorgd over de impact van een ongebreideld toerisme op de bescherming van een eigen identiteit, op het milieu en op het natuurlijk, historisch en cultureel erfgoed. Zeker het respect voor de eigen identiteit van de plaatselijke bevolking en het streven naar een evenwichtige verdeling van de positieve effecten van de ontwikkeling van het kusttoerisme over de bezoekers, toeristische ondernemers, hun personeel en de plaatselijke bevolking zijn belangrijke aandachtspunten.  Een toeristische industrie uitbouwen zonder oog te hebben voor het welzijn van de plaatselijke bevolking en voor de tradities en culturele bijzonderheden van de bewoners werkt contraproductief en vervreemdend.

In recente opinies reiken Fons Van Dyck, hoofd van Think BBDO en hoogleraar strategische communicatie aan de VUB en Ive Marx, hoogleraar Universiteit Antwerpen, een aantal denkpistes aan die net nu moeten aanzetten tot een grotere aandacht voor de maatschappelijke gevolgen van bestuurlijke beslissingen. Er is te veel aandacht voor het economische. De twee belangrijke vragen die zich momenteel stellen zijn de wenselijkheidsvraag (In welke wereld willen wij leven?) en de waarschijnlijkheidsvraag (In welke wereld komen we terecht?). Ondergaan we alles gedwee of maken we zelf de wereld: zijn we passief of actief?

Ook in de literatuur over de gevolgen van toerisme en recreatie wordt inderdaad vaak enkel de nadruk gelegd op de positieve economische aspecten. De gevolgen voor de lokale bevolking worden al eens vernoemd. Met de sociale gevolgen wordt in het beleid weinig rekening gehouden.  

Een denkpiste zou kunnen zijn om de sociale gevolgen van bepaalde plannen veel nadrukkelijker in beleid en besluitvorming te betrekken. De aanvulling van de vele eerder technische effectrapporteringen, waaronder de adviezen van de gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening,  door een onafhankelijke deskundige studie die de invloed op het plaatselijke sociale, maatschappelijke en culturele milieu kritisch onderzoekt en die het besluitvormingsproces mee stuurt, kan hier wellicht soelaas brengen.

De uil van Minerva begint helaas echter pas bij het aanbreken van de avondschemering haar vlucht.

Een column is een artikel waarin de schrijver zijn mening geeft over een onderwerp. Soms is de tekst humoristisch, soms provocerend, maar het is altijd de persoonlijke kijk op de wereld van de columnist. Een columnist geeft een beschrijving van een gebeurtenis en maakt daarbij zijn eigen mening duidelijk. Een column moet een emotie bij de lezer losmaken, de lezer moet erom kunnen lachen, het stemt hem tot nadenken of maakt hem boos.  Een opiniestukje of een column nemen we graag op in onze krant. Stuur ze naar: redactie@redactie.be

2 REACTIES

  1. Ik heb geen enkel probleem met 2e verblijvers of dagjes toeristen.
    Laat hen toch komen en blijven komen – vele winkeliers en zo zullen dankbaar zijn
    worden zij ziek – laat hen terugkeren naar het ziekenhuis van hun domicilie
    dan is dat alvast geen overlast voor ons ziekenhuis
    Een beetje tolerantie kan zoveel deugd doen. de wereld is niet van ons alleen maar van iedereen

Comments are closed.