HomeOnze ColumnistenPlato: Het Noordzeehotel van Huib Hoste te Knokke–Heist

Plato: Het Noordzeehotel van Huib Hoste te Knokke–Heist

Door Kneistikrant-Columnist: Plato (De auteur is Dr. ethicus en rechtsfilosoof) – Echte naam en adres bekend bij de redactie.

Het ‘Zwart huis’, een pareltje van modernistische architectuur, gelegen in de Dumortierlaan, wist aan de niets ontziende Kneistse slopershamer te ontsnappen. Minder bekend is de jammerlijke geschiedenis van het Noordzeehotel (eertijds bekend te Knokke als café Monty).

Gino Blanckart

Het ‘Zwart huis’

In 1924 ontwierp architect Huib Hoste (1881-1957) het Zwart Huis, die voor haar tijd zo verrassend moderne constructie in de Dumortierlaan te Knokke voor de bekende arts dr. De Beir.  De woning was in menig opzicht vernieuwend. Er werd gebruik gemaakt van moderne bouwmaterialen en nieuwe technische concepten zoals o.m. betonnen raamlijsten, of muren in gestort assenbeton. Het eigengereide gebruik van kleuren ‘schokte’ de toenmalige goegemeente. De zwart geteerde buitengevel zorgde gauw voor de bijnaam het ‘Zwart huis’. Ook binnenin was de woning méér dan de moeite waard. Het volstaat te verwijzen naar de schilderingen door Victor Servranckx (1897-1965). Alles samen genomen kan men rustig spreken van een totaalconcept: bouwstijl, kleuren, versieringen en kunstwerken weerspiegelden de culturele interesse en maatschappelijke betrokkenheid van de opdrachtgever.

De woning is ondertussen internationaal erkend als één der belangrijkste modernistische realisaties in Vlaanderen. Sommigen gewagen zelfs van één der zuiverste interpretaties van de beweging ‘De Stijl’.

De woning van dokter De Beir is echter maar één van de vele realisaties van architect Hoste: bekend zijn o.m. tal van over Vlaanderen verspreide woningen en tuinwijken of zijn ontwerpen voor een modelwijk op de Antwerpse Linkeroever. Van Hoste zijn te Knokke ook nog de plannen voor een zomerschool bekend (Koninklijk Atheneum).[1]  Dat brengt ons bij het onderwerp van deze bijdrage: de sloop van een andere realisatie van architect Hoste, het Noordzeehotel te Knokke.

Het verhaal van een sloop

Ondanks zelfs internationale actie werd op 12 september 2003 de sloop van het voormalige Noordzeehotel ingezet. De mobilisatie tegen de afbraak was vergeefs geweest.

Op het eerste gezicht de zoveelste kaalslag in de badstad. Niets nieuws dus, zeker niet in Knokke–Heist, dat de laatste jaren aan een nietsontziende slooprage overgeleverd is. Volgens bepaalde (goed geïnformeerde bronnen) had zelfs de burgervader laten verstaan dat men op zijn minst toch de gevel van het Noordzeehotel moest behouden. Het bleek echter niet haalbaar: op dat ogenblik waren de meeste appartementen in de geplande nieuwsbouw blijkbaar al verkocht. Bepaalde bronnen stellen dat de appartementenverkoop al in 2002 begonnen was. Anderen hadden het over ‘toezeggingen’, zodat een beschermingsprocedure – met een andere invulling van het gebouw – in 2002 nog tot de mogelijkheden heeft behoord.[2]

 

Er is meer

Wie in dit dossier wat dieper graaft, staat gauw voor verrassingen.[3] Men zou kunnen ingaan op de gedane poging tot bescherming en op de daarop volgende schrapping van het Noordzeehotel bij ministerieel besluit van 17 juli 2001 op het ontwerp van lijst van ‘voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten’[4]. Of men zou het kunnen hebben over het vernielen van het fresco van de modernistische kunstschilder Luc Peire (1916-1994) [5].

Bij de verbouwingswerken aan de portierswoning, het enige restant van het Noordzeehotel, werd die muurschildering uit 1951 met haar voorstelling van karikaturen en archetypen uit de cinemawereld ‘vakkundig’ verwijderd. Aan de basis van dit alles lag het ontbreken van de nodige beschermingsmaatregelen.

Begin 2002 zei Paul Van Grembergen, de toenmalige minister van Cultuur, nog in het Vlaamse Parlement dat de muurschilderingen van Luc Peire volgens zijn diensten en de afdeling Monumenten en Landschappen ‘bij de eventuele realisatie van een nieuwbouwproject (kunnen) worden bewaard.’[6]

Een Vlaams cultureel centrum

Laten we het hier echter hebben over een totaal ander en veel minder bekend aspect van het verhaal van het Noordzeehotel.

De sloop van het Noordzeehotel betreft niet alleen de definitieve teloorgang van een modernistisch gebouw van architect Hoste. Het gaat ook om het verdwijnen van een gebouw met een bewogen geschiedenis, dat van bij de aanvang een echt Vlaams volks cultureel centrum wilde zijn.

Zoals hierna zal blijken heeft S. Steverlinck het duidelijk bij het rechte eind wanneer hij het heeft over de ‘saga van het Noordzeehotel’ en de afbraak ‘een zwarte pagina’ noemt. Het Noordzeehotel, zo stelt hij, is historisch interessant omdat het een trefpunt was voor Vlaamse avant-gardefiguren zoals Streuvels, Jespers, Timmermans en Claes.[7] Op een oude foto herkent men op het terras van het Noordzeehotel bijvoorbeeld Willems, E.H. Depuydt, E.H. Verstraete, Stijn Streuvels en kunstschilder Emmanuel Viérin [8].

Het politieke klimaat tijdens het interbellum moet zeker in herinnering worden gebracht.[9] De Grote Oorlog was immers voor veel Vlamingen met een kater geëindigd. Na de ellende aan het front en de moeizame heropbouw waren er ook sociale en politieke consequenties. Na de bevrijding worden ‘Vlaamse’ ambtenaren ontslagen; de studenten van de in de oorlog vernederlandste Gentse universiteit, de zogeheten ‘Von Bissinguniversiteit’, zien de toegangsdeuren van de andere universiteiten voor hun neus dichtgaan; de ‘activisten’ worden vervolgd en lopen sterk variërende straffen op.  Van nog groter belang is echter het klimaat dat wordt geschapen, met aan de ene kant een anti-Vlaams gevoel bij het Belgische establishment, en aan de andere kant een toenemende anti-Belgische overtuiging bij de radicaler ingestelde Vlamingen. De malaise is ontegensprekelijk. Het gevoel onrecht te zijn aangedaan overheerst.

Om politieke redenen ontstaat al snel de noodzaak één en ander ‘recht’ te trekken. In een troonrede spreekt Koning Albert zich eindelijk uit over de bestaande ongelijkheid ten nadele van de Vlamingen. Er wordt zelfs weer aan een mogelijke Nederlandstalige universiteit te Gent gedacht. Die komt er echter niet onmiddellijk, er is geen meerderheid voor te vinden.[10] De bekendste hervorming is de invoering van het algemeen enkelvoudige stemrecht. De vrouwen zullen nog even moeten wachten.

De wereld van de politiek komt ook niet zonder kleerscheuren uit de oorlogsperiode. Dat is ook het geval voor de katholieke beweging. Globaal genomen ziet men de katholieke organisaties vanaf 1918 geconfronteerd worden met de opkomst van drukkingorganen zoals de Katholieke Vlaamsche Landsbond, de Boerenbond, de arbeidersorganisatie en de middenstandsbeweging. Er komt nog geen en volwaardige nieuwe katholieke partij. De ‘standenformule’ blijkt niet helemaal werkbaar en het is ook moeilijk om in een ‘kiesvereniging’ te werken. In vergelijking met het verleden is de enige belangrijke wijziging wellicht de impact van de standen op de lijstvorming. Het belang ervan zal hierna blijken. Pa na 1945 ruimen de standen moeizaam plaats voor een individueel lidmaatschap.

In West–Vlaanderen en in het Brugse is de toestand nog anders, zo blijkt uit een studie van Toon Osaer.[11] De eisen van de Vlamingen, zoals die in een ‘minimumprogramma’ verwoord zijn, worden er ‘hertaald’ om de francofonie niet al te zeer de gordijnen in te jagen. In Brugge speelt ook de invloed van een dissidente groep: de Burgersgilde, die tegen de arbeidersorganisatie ageert, die tegen de standen is en die voor een tweetalig Vlaanderen pleit. Dries Van den Abeele verwijst naar de invloed van die beweging van kleine burgerij en middenstanders, die (op de rechterflank) van de katholieke partij en later bij de christelijke volkspartij steeds weer voor splinterlijsten zullen zorgen.[12]

En Knokke?

Dokter De Beir was van 1899 tot 1905 student aan de toen nog Franstalige universiteit in Gent. Hij werd er lid van het Vlaamse en katholieke studentengenootschap ‘Rodenbach’s Vrienden’, dat ijverde voor het Nederlands en de vernederlandsing van de Gentse universiteit.

Voor de ‘Grote Oorlog’ maakte hij kennis met Vlaamse geestesverwanten zoals apotheker Chielens, Huib Hoste en de professoren Oswald en Rafaël Rubbrecht. Toen ontmoette hij ook Lannoo en pater Stracke en hij was hij bevriend met de in 1912 tot burgemeester aangestelde L. De Klerck. In 1914 leerde hij Frans van Cauwelaert kennen in het vluchtelingenkamp te Zeist, waar hij als arts werkzaam was. Hij raakt er ook bevriend met Rik Wouters.

Volgens P. Mattelaer[13] behoorden dr. De Beir en Huib Hoste, die in 1917 lid werd van ‘De Stijl’, al tijdens de Eerste Wereldoorlog tot de minimalistische Vlaamsgezinden. Het Katholik Vlaams Verbond (KVV) van politicus Van Cauwelaert spreekt hen beiden aan.

De families Hoste en De Beir waren voor elkaar geen onbekenden. Huib Hoste zal in 1919, nog voor de stichting van het KVV, secretaris van het Katholiek Vlaams Gouwverbond van West-Vlaanderen worden. Gustaaf Sap is er voorzitter van en tot de leden behoren o.a. Stijn Streuvels, dr. Oswald Rubbrecht en dr. Baekeland. Onder leiding van deze laatste zal in 1919 te Aartrijke de eerste vergadering van het KVV voor het arrondissement Brugge plaatsvinden. In de ledenlijst treft men de namen aan van dr. De Beir, apotheker De Wolf en apotheker Chielens.[14] In 1919 komt er ook in Knokke een KVV afdeling, waar dokter De Beir voorzitter van wordt. Volgens P. Mattelaer aanvaardt hij dit omdat het KVV zich buiten de eigenlijke politieke enclaves opstelt, ook al steunt de afdeling duidelijk het Vlaamse minimumprogramma. Een belangrijk figuur is pastoor Depuydt, die tijdens zijn humanioraperiode lid was geweest van de Blauwvoeterie, geesteskind van Rodenbach en Verriest [15].

Onder het voorzitterschap van De Beir wordt de Knokse afdeling van de KVV verbreed. Met de hulp van de lokale clerus – onderpastoor Depuydt is het voorbeeld van een ‘petit vicaire’ – gaat veel aandacht naar sociale en culturele organisaties. Er is een duidelijke band met de katholieke beweging, en alle standen zijn erbij betrokken.

Vergeten wij ook niet de veranderde “leefomgeving”. Zoals historicus Karel Van Isacker het treffend uitdrukt in zijn boek “Mijn land in de kering” neemt men begin vorige eeuw afscheid van de “ouderwetse wereld”. De rurale samenleving verdwijnt. Ook Knokke ontsnapt niet aan deze evolutie. Het (nog niet tot een industrie verworden) toerisme bloeit als nooit tevoren[16]. De bevolking van Knokke zal mede dank zij de uitbreiding tot badstad sterk toenemen. Vastgoedmaatschappijen worden opgericht. Eerder was, in het kielzog van de groep Verwee -Van Bunnen-Dumortier, de familie Lippens begonnen met het verkopen van gronden. Financiers, o.a. Antwerpse financiers, investeren in projecten. Het aantal hotels neemt sterk toe en ook de villabouw bloeit.

Men moet dus leren omgaan met de nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. En er werd dus “opgevoed”. Associaties, bibliotheken en kringen zien, mochten ze nog niet bestaan, het daglicht. Fanfares en toneelkringen worden “instrumenten”. Terecht mag worden gesteld dat indien het interbellum op economisch en politiek vlak een tumultueuze periode was er op sociaal en cultureel gebied een zeer sterke stijging van de activiteiten te noteren is. De samenleving wordt “gemobiliseerd”. Via sociale en culturele actie wil men de positie van de Vlamingen verbeteren én aan volksontwikkeling, zeg maar volksopvoeding doen.

Dokter De Beir is een “open geest” en vooral een ware ‘cultuurfanaat’: noch de avant-garde, noch het fauvisme, de Nieuwe Beelding of het dadaïsme zijn hem onbekend en hij wordt door zijn politieke tegenstanders én als mens én als dokter gerespecteerd.

Een Vlaams cultureel centrum…

De Beir heeft grootse plannen: hij denkt aan een Vlaams cultureel centrum, dat onderdak kan bieden aan evenementen en dat tegelijk een hotel kan zijn voor de Vlamingen die Knokke bezoeken. Het moet tevens onderdak bieden aan diverse organisaties en het secretariaat van het KVV moet erin ondergebracht kunnen worden.

In 1922 legt Hoste de laatste hand aan de plannen. Er komt, naast het eigenlijke hotelgedeelte, ook een theaterzaal. Het Noordzeehotel wordt gebouwd op grond die geschonken wordt door de burgemeester De Klerck. Er wordt naar aanleiding van de viering door het KVV van burgemeester De Klerck in 1923 een Samenwerkende Maatschappij bijeengeroepen. Geldschieters zijn onder meer dokter De Beir, apotheker R. Chielens, hotelexploitant F. Jacobs en A. Landsogt.[17]

Op 23 maart 1924 gaan de deuren van het Noordzeehotel officieel open. Voor de theaterzaal met haar proscenium doet men in de lijn van De Stijl een beroep op Moelaert voor modernistische decors, terwijl Huib Hoste voor het hotel zelfs een vlag tekent.

De activiteitenlijst laat overduidelijk zien dat dokter De Beir volkomen in zijn opzet slaagde: de lijst bevat behalve toneel- en muziekuitvoeringen ook voordrachten en allerlei andere optredens. Het gebouw zal de verenigingen een volwaardige infrastructuur aanbieden.

Een pittige anekdote, door P. Mattelaer in zijn bijdrage gememoreerd, betreft de ontvangst (met fanfare!) van een aantal Nederlandse studenten die van 12 tot 14 april 1924 te Leuven een Groot Nederlandsch Studentencongres hebben bijgewoond. Dat ze in het Noordzeehotel logeren, wordt door de goegemeente gauw als een Hollandse en bijgevolg Groot-Nederlandse inval beschouwd waarvoor de gendarmerie zelfs met een onderzoek belast werd!

Dat het gebouw 80 jaar later zo roemloos ten onder zou gaan, was niet te voorzien: een cultureel centrum avant la lettre, een stukje Vlaamse ontvoogding is zonder meer met de grond gelijkgemaakt. Het gebouw verdiende ongetwijfeld een beter lot. De verwaarlozing was trouwens al jaren een feit. De laatste jaren deed het gebouw dienst als (drukbezocht) café.

Kritische buitenlandse reacties

Tot in het buitenland lokte de afbraak reacties uit. Zo werd op 13 mei 2002 in de Deutsche Bauzeitung opgeroepen om acties tegen verdere afbraak van het hotel te steunen. In het artikel „Noordzeehotel in Knokke bedroht“ is te lezen: „Bereits Anfang der neunziger Jahre wurde ein Teil des Hotels, das Theater, in dem sich das flämische Avantgarde-Theater der zwanziger Jahre getroffen hatte, durch Garagen ersetzt“. Verder: „Wer zu knausrig ist, ein architektonisches Kleinod zu sanieren, darf es abreissen und es durch ein Haus nach eigenen Vorstellungen ersetzen.’.

Een herhaling van de geschiedenis? In zijn antwoord op een parlementaire vraag van Jan Van Duppen stelde cultuurminister Van Grembergen met klem dat de stad Knokke en het provinciebestuur voor de afbraak een ongunstig advies hadden gegeven. De afdeling Monumenten en Landschappen kon niet anders dan een negatief advies geven na de vaststelling ter plaatse dat de theaterzaal verwoest was en dat belangrijke elementen van de gevelbekleding verdwenen waren. In zijn artikel wijst P. Mattelaer erop dat een eerdere poging om de woning De Beir te beschermen op het verzet van de provincie was gebotst.

Al bij al kan men er moeilijk naast dat er in Knokke slechts schoorvoetend wordt overgegaan tot bescherming van het patrimonium. De meerwaarde van bewarende maatregelen, bijvoorbeeld met het oog op het nochtans bijna verafgode toerisme, wordt er klaarblijkelijk sterk onderschat. Of is de macht van de bouwpromotoren te groot?

In het Vlaamse parlement verwoordde een politicus het vrij scherp door er zijn verwondering over uit te spreken dat er in Knokke-Heist zo weinig beschermde monumenten zijn en dat de invloed van de bouwpromotoren er inderdaad zo groot is: ‘De bouwwoede en het winstbejag zijn er zo groot,’ zo zei hij, ‘dat projectontwikkelaars geen rekening houden met de historiek van een gebouw.’


[1] Avermaete, Tom en Bregje Provo (red.), Huib Hoste (1881 – 1957). Vai/CVAa, ‘Focus architectuurarchieven’, Merendree. 2005. Rijk geïllustreerd boek met verwijzingen naar diverse archiefbestanden en bewaarplaatsen. Voorafgegaan door drie essays waarin de architect wordt voorgesteld. Uitgebreide bibliografie.

[2] Vlaams Parlement, Beknopt verslag, nr. 53. 05-06-2002. Vraag Jan Van Duppen met antwoord van minister Paul Van Grembergen.

[3] Vlaams Parlement, Beknopt verslag nr. 53. 05-06-2002. Vraag Jan Van Duppen met antwoord van minister Paul Van Grembergen.

[4] Belgisch Staatsblad 21-10-2001. Ministerieel besluit van 17-06-2001.

[5]Jos Vandenbreeden, directeur van het Brusselse Sint-Lukasarchief reageerde furieus, net zoals Marc Peire, conservator (Stichting Jenny & Luc Peire) die voor de deze vernieling waarschuwde.

[6] Het Nieuwsblad 20-04-2006. Fresco van Luc Peire vernield. Eveneens: Rinckhout, E. Fresco’s van Luc Peire vernield bij verbouwingswerken in Knokke, in ‘De Morgen’.

[7] Steverlynck, S, Red het modernisme, Urbanmag.

[8] Mattelaer, P., Dokter Reimond De Beir, arts te Knokke (1879-1945), in: ‘Cnoc is ier’, jg. 2003, blz 61.

[9] Het zou te ver leiden het politieke klimaat in België en meer bepaald in Vlaanderen net na de ‘Grote Oorlog’ te willen schetsen. Wij beperken ons tot de elementen die o.i. noodzakelijk zijn om het belang van het ‘Noordzeehotel’ te situeren.

[10] Pas in 1921 dienen Frans van Cauwelaert en enkele andere politici opnieuw een voorstel in dat al van 1912 dateert: het begin van de ‘Nolf-universiteit’ waarbij de universiteit Gent wordt gesplitst in twee (taal)afdelingen waarin telkens een deel der cursussen het Frans of in het Nederlands wordt gegeven. Pas tien jaar later is de vernederlandsing een feit.

[11] Osaer, A., De katholieke partij in een periode van standenvertegenwoordiging. Het arrondissement Brugge, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, K.U. Leuven 1978–1979.

[12] Vrije Burgers (1907 en 1911); Stoffelijke belangen (1921 en 1926; Burgersgilde (1932); Rex (1938).

[13] Mattelaer, P., Dokter Reimond De Beir, arts te Knokke (1879-1945), Cnoc is ier.

[14] In Brugge hebben de verschillende ‘standen’ eigen publicaties. Dat van het KVV heet Het Belfort.

[15] Van zichzelf zegt hij “ Het is waar, in mijn Knokke-tijd heb ik aan politiek gedaan dat de stukken er vanaf sprongen. Ik heb er echter geen spijt over: ik ben nooit een politiekertje geweest bij wie het ging om de macht, de roem en het geld. … Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus was de leuze die mij bezielde.”

[16] In 1926 kon de trein eindelijk doorrijden tot Knokke en in het Zwin kwam in 1929 voorwaar een klein vliegveld. Ook het wegennet werd grondig aangepakt. Zo werd de kustweg tot Knokke (1930) doorgetrokken en werd de weg Knokke-Maldegem werd aangelegd (1936). Het relatieve isolement is definitief doorbroken.

[17] Mattelaer, P., Dokter Reimond De Beir, arts te Knokke (1879-1945,. Cnoc is ier, jg. 2003.

7 REACTIES

  1. Volledigheidshalve zou Plato ook mogen vermelden dat er plannen bestonden om het Zwart Huis af te breken en te vervangen door appartementen . Er kwam echter verzet uit architectuurmiddens waarbij onze stadsgenoot architect Wim Cattoor een voorname rol speelde. Het mag gesteld worden dat hij aan de basis lag van het behoud van het Zwart Huis dat een tijd lang onbewoond bleef en te koop stond toen de eigenaar naar een villa in het Binnenhof verhuisde.

  2. Beste Plato
    Beste Dr ethicus

    Het beschermingsbesluit was indertijd gebaseerd op suggesties van het Sint Lucasarchief betreffende de “unieke ” theaterzaal . Wat niet vermeld werd aan erfgoed was dat de theaterzaal al verdween in de jaren 70 toen er in de plaats een parkeergarage kwam.
    Ondanks de vergunning van de jaren 70 , ondanks de effectief bestaande parkeergarage bleven sommigen toch maar suggereren dat de theaterzaal nog bestond en dat deze bescherming nodig had. Internationale reacties waren dus gebaseerd op onjuiste informatie.
    Ik heb het altijd spijtig gevonden dat het Sint Lucasarchief ( waar ik zeer veel respect voor heb ) maar bleef aangeven in de pers dat de theaterzaal nog bestond en zo de gemoederen probeerde te beinvloeden.
    Erfgoed diende echter vast te stellen dat de theaterzaal in zijn geheel verdwenen was, geheel verbouwd tot garages zonder enig spoor of relic . In die zin werd snel beslist het pand te schrappen van de lijst van MOGELIJKS in bescherming te nemen gebouwen
    De muurschildering van Luc Peire zijn voor zover ik weet nog steeds bewaard en beschermd door plaatmateriaal. Deze situeren zich langs de ingang van de parkeergarage kan Pierslaan.
    De bescherming van deze fresco’s was de enige voorwaarde die erfgoed stelde.
    De gevel had niets meer te maken met de achterliggende indelingen die al verschillende keer verbouwd werden. Erfgoed heeft toen vriendelijk bedank voor het idee van behoud van de gevel, wat ze toen als ongewenst “façadisme” bestempelden.

    Tot zover mijn herinnering aan de feiten
    HC Demyttenaere

  3. Een artikel omtrent het zogeheten Zwart Huis is in voorbereiding. Hierbij zal o.a. aandacht uitgaan naar de bouwheer, de architect, de kunstenaars die voor de binneninrichting zorgden en de bouwtechniek.

  4. Leuk om te lezen dat men deze eenzame strijd voor het behoud van het Zwart Huis van 35 jaar geleden nog niet vergeten is! Ik heb er nooit een compliment van het gemeentebestuur voor gekregen, wel boze gedichten van een belanghebbende ere-burgemeester en veel krantenkritiek van zijn bevriende streekreporters. De gemeente heeft er destijds werkelijk alles aan gedaan om het Zwart Huis gesloopt te krijgen. Blijkbaar is bij het gemeentebestuur het verstand met de jaren toch gekomen. Nu zie ik her en der in de gemeente verplicht behoud van oude voorgevels bij nieuwbouwprojecten. Zelfs bij soms bedenkelijke architectuur. Vreemd hoe men van het ene uiterste in het andere terecht is gekomen.

    • Inderdaad beste Wim. In de Sint-Jozefstraat staan ook nog een drietal huizen waarvan er één op de hoek met de Sint-Antoniusstraat zelfs veranderd is in een modern appartementsgebouw zonder evenwel iets aan de voorgevel te veranderen. Dat heeft wel iets unieks en wekt nostalgie op. Rond de Sint-Rochuskerk in Blankenberge zie je ook veel van die huizen die inmiddels “geklasseerd zijn” maar waar de eigenaars niets aan hebben. In de deelgemeente Heist stond de dijk vroeger vol met gelijkaardige woningen bebouwd door kapitaalkrachtige families voor eigen gebruik als vakantiewoning en achteraf voor verhuur maar door de vele kosten -want die pareltjes van architectuur moesten ook onderhouden worden wat de eigenaars en hun nazaten niet meer deden-, verkrotting en de opkomst van de hoogbouw zijn deze allemaal verdwenen.

  5. De achterliggende toneelzaal is inderdaad verdwenen in de jaren 1990 om daar een parkeerplaats te bouwen.

    Bedenkingen waren niet uit de lucht. Was hier sprake van een totaal ontbreken van kennis van de potentiële erfgoedwaarde ? Was er geen enkele interesse in een totaalrenovatie (want te duur)? Of werd bewust geopteerd voor een gefaseerde “aanpak” teneinde – met het oog op het vlot realiseren van nieuwbouw – dit erfgoedobject te ontdoen van zijn erfgoedwaarde?

    Het voormalig “Noordzeehotel” zelf werd gesloopt in september 2003.

    Te vermelden is echter dat het ontwerp van Hoste zeker ook belangrijk was omdat hij teruggreep naar een nieuw theatertype dat beschreven werd door architect en scenograaf N. Bel-Geddes in het Amerikaanse tijdschrift “Architectural Record” (sept. 1922).

    Een zuivere vierkante plattegrond, sterk driedimensionaal uitgewerkt met in één van de hoeken het driehoekig podium. Opgetrokken in gewapend beton, toen een nieuw materiaal aangewend om ruimten te concipiëren. De amfitheatervorm van parterre en balkon was diagonaal ingeplant, wat innoverend was voor die tijd; de wanden liepen door tot op de scène.

    In functie van de ombouw van de theaterzaal tot cinemazaal in de jaren 1950, werd op de noordelijke wand van de doorgang de muurschildering “De Cinemawereld” (1951) aangebracht door de kunstschilder L. Peire. Thans “overschilderd” (bron: zie o.a. Agentschap Onroerend Erfgoed).

    Schreef Lucebert niet “alles van waarde is weerloos, wordt van aanraakbaarheid rijk en aan alles gelijk, als het hart van de tijd, als het hart van de tijd”.

  6. Luc Peire’s fresco ‘De Cinemawereld’ (opgedeeld in ‘Filmtypen’ en ‘Cinemabezoekers’) uit 1951 is niet ‘vernield’ maar zit verstopt achter 1. witte overschildering en 2. voorzetwand (zoals HC Demyttenaere, architect van de huidige Monty-residentie aangeeft).
    In 2001 werden op initiatief van de Afdeling ROHM West-Vlaanderen Monumenten & Landschappen (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) minimale steekproeven uitgevoerd om het bestaan van het fresco te Knokke onder de (witte) overschildering te bevestigen en met zekerheid te lokaliseren.
    Op 26.08.2004 maakte ik ter plaatse tien kleurenfoto’s in het kader van archivering en verder onderzoek. Duidelijk zichtbaar op dit beeldmateriaal zijn fragmentarische details met zwarte contourlijnen. Op foto’s van de muur profileert zich (vermoedelijk!) onderaan de horizontale afgrenzingslijn van het fresco-oppervlak.
    Het gehele fresco werd in 1951 (het jaar van de realisatie) in zwart-wit fotografie vastgelegd door Jenny Peire en Adriaan Verwee (Brugge). Op basis van die foto’s (archief Luc Peire), van de bewaarde kleurpoeders en van de enige bestaande fresco’s ‘Evocatie van Vlaanderen’ (1951) en van ‘Zeebrugge ’51’ (1951) van Luc Peire in het huis van zijn broer Marcel te Sint-Kruis (Brugge), was het mogelijk het fresco ‘De Cinemawereld’ te Knokke iconografisch, technisch en stilistisch te analyseren en te onderzoeken. Deze studie was trouwens een onderdeel van een doctoraal onderzoek ‘Van wand naar ruimte. Onderzoek naar de invloed van het ‘al fresco’ op het werk van Luc Peire’ aan de UGent 2016 (promotor Prof. dr. Steven Jacobs).
    De fresco’s vormen een cruciale fase binnen Peire’s artistieke ontwikkeling naar een stilerende en abstraherende taal en omwille van hun specifieke techniek bekleden ze een unieke plaats in de moderne Vlaamse kunst na 1945.
    Het zou een dankbaar maar zeer kostelijk huzarenstukje betekenen om de voorzetwand en de witte overschildering te verwijderen en zo het fresco bloot te leggen, te restaureren om dan nog ‘stijlvol en volgens de regels en normen van conservering te ‘integreren’ binnen een doorgang naar een garageruimte van een residentie.
    Maar we blijven niettemin dromen …
    Marc Peire, conservator Stichting Jenny & Luc Peire, Knokke

Er zijn geen reacties meer mogelijk.

- Advertisment -

Lees ook dit

Recente reactie van onze lezers